- hoofdartikel -

GTST

Hoe gaat het met cultuur op school? Ondanks jarenlang investeren en stimuleren blijft het duwen en trekken. Was het vroeger beter?

De overheid stimuleert al tientallen jaren cultuur op school. Toch hebben veel mensen het gevoel dat het cultuuronderwijs vergeleken met vroeger niet beter is. Integendeel: er heerst een soort heimwee naar betere tijden. Toen alle leerkrachten een muziekinstrument bespeelden, de handvaardigheidslokalen zinderden van de creatieve energie, en consulenten en vakleerkrachten met raad en daad klaarstonden.

Ideaal?

Toen ik een jaar of tien geleden in de wereld van de cultuureducatie stapte, bleek men zich daar zorgen te maken over zaken als kwaliteit, deskundigheid en continuïteit. Hoe konden we scholen zover krijgen dat ze de goede keuzes maakten? We stortten ons op lesprojecten, cursussen en culturele netwerken die het cultuuronderwijs structureel zouden verbeteren.

Cultuurcoördinatoren, cultuurbeleidsplannen, samenwerkingsprojecten en leerlijnen: al die zaken waarvan we tien jaar geleden droomden, zijn er intussen gekomen. En toch… Nog steeds is kunstzinnige oriëntatie het minst gestructureerde onderdeel van het schoolprogramma, voelen leerkrachten zich niet competenter om cultuuronderwijs te geven, en krijgen aanbieders het verwijt dat ze te aanbodgericht zijn. We boeken vooruitgang, maar toch lijkt het alsof we met zijn allen steeds achter de feiten aan blijven rennen.

Terug in de tijd

Zo’n anderhalve eeuw geleden veranderde het onderwijs drastisch. Was de opvoeding, en dus ook het onderwijs er daarvóór op gericht om kill 1 hfdart gtstinderen te drillen tot brave burgers, in de tweede helft van de negentiende eeuw kwam er aandacht voor het kind zelf. Hoe kon hij of zij met alle snelle veranderingen in de maatschappij klaargestoomd worden voor de onbekende toekomst? De overheid legde een verplicht lesrooster vast. Lezen en schrijven was een must voor elk kind. Het besef begon te dagen dat ook een arbeiderskind door onderwijs kon stijgen op de sociale

ladder, en dat elk kind die investering waard was. Van rekenen leerden ze zelfstandig en creatief denken. Zingen droeg bij aan hun beschaving, en het godsdienstonderwijs aan hun morele vorming. Over het nut van geschiedenis werd nog een poos gediscussieerd, maar uiteindelijk werd ook dat een verplicht vak, net als tekenen, aardrijkskunde en ‘kennis der natuur’. In een vooroorlogs lesrooster was veel ruimte voor wat wij nu cultuurvakken noemen: per week minimaal twee keer zingen en notenlezen, twee keer tekenen en (voor de meisjes) twee keer handwerken. Geïllustreerde (voor)leesboeken en kleurrijke schoolplaten prikkelden de verbeelding. Binnen de strakke kaders van de opvoeding was cultuur een vanzelfsprekend onderdeel.

Gouden jaren

ill 2 hfdart gtstHet programma van de negentiende-eeuwse lagere school heeft lang standgehouden. Ik herken het zelfs uit mijn eigen schooljaren in de vroege jaren zeventig. Op mijn kleine Zeeuwse dorpsschool werd veel gezongen. Het voorlezen kan ik me nog goed herinneren, tot in de hoogste klassen, en natuurlijk tekenden we ook. En als de meisjes handwerkten, kregen de jongens handvaardigheid of rekenen. Het klinkt hopeloos ouderwets, maar zo beleefden we het niet. We leerden niet alleen brave breisteken, maar ook macramé en striptekenen. De ene onderwijzer kon prachtig tekenen, de andere speelde gitaar, en af en toe kwam de filmprojector uit de kast. Maar zelf muziek maken? Een kunstenaar in de klas? We hadden geen idee.

Vijftigers zullen dit wel herkennen. Veertigers groeiden op in een tijd dat in de maatschappij, en dus ook op scholen, veel meer ruimte kwam voor creativiteit en experimenteren. Dat ging ten koste van het aanleren van technische vaardigheden – dus exit breiles – omdat in de filosofie van die tijd de vrije expressie niet gehinderd mocht worden door conventies. In het rijksbeleid werd kunstzinnige vorming een thema, met als doel dat mensen gevoelig moesten worden voor kunst, en hun persoonlijkheid moesten leren ontplooien. Daar hebben vooral dertigers de vruchten van geplukt: zij zagen echte kunst in musea of reizende tentoonstellingen en bezochten jeugdtheatervoorstellingen. Op school, in goed ingerichte handarbeidlokalen, of op het schoolpodium werden ze uitgedaagd om zelf te experimenteren Al dan niet onder leiding van een kunstdocent. Het was de tijd van kunst om de kunst – achteraf gezien de gouden jaren van de kunsteducatie.

Tussendoortje

Eind jaren negentig kon het allemaal wel weer een tandje minder; toetsbare leeropbrengsten werden steeds belangrijker, dus ook de methodes die de leerlingen daar op moesten voorbereiden. De school werd de plek waar allerlei maatschappelijke problemen met speciale lesprogramma’s verholpen moesten worden, en voor welk probleem was cultuur eigenlijk de oplossing? Voor cultuur was minder ruimte – niet alleen in roostertijd, maar ook fysiek. Op veel scholen werd het handenarbeidlokaal opgeofferd om plaats te maken voor een extra groepslokaal. En in een vol klaslokaal met tapijt op de vloer en één koude kraan in de hoek is het toch een stuk lastiger experimenteren met klei en inkt. Helemaal als er geen vakleerkracht meer is om dat te begeleiden. De kwaliteit die niet langer binnen de school zelf, maar daarbuiten in steunpunten en culturele instellingen was georganiseerd, kwam steeds moeilijker de school in. Op papier bleef de school verantwoordelijk voor cultuuronderwijs, maar in de praktijk werd het steeds meer iets van buiten de school, een tussendoortje dat in het overvolle programma óók nog ergens een plekje moest krijgen.

Minder ruimte voor cultuur was ook terug te zien in de kerndoelen. Het Landelijk Kennisinstituut voor Cultuureducatie en Amateurkunst rekende uit hoe de aandacht voor kunstzinnige oriëntatie sinds de jaren negentig daalde. Ging twintig jaar geleden nog 16% van de kerndoelen over kunstzinnige oriëntatie, nu is dat slechts 5%. De minister stuurt minder op onderwijsinhoud, is de conclusie, en bijna helemaal niet meer op de inhoud van het cultuuronderwijs.

Heimwee

Oudere leerkrachten denken weleens met heimwee terug aan hun opleiding. De culturele voorbeeldrol die leerkrachten al sinds de negentiende eeuw hadden, en waar ook in de opleiding veel aan werd gedaan, is allang niet meer vanzelfsprekend. Er was een tijd dat alle kunstvakken nog gewoon op het rooster van de kweekschool stonden, onderwijzers een muziekinstrument moesten kunnen spelen, en nascholingen in bijvoorbeeld muziek of beeldende vorming een akte en daarmee ook een hoger salaris opleverden. Ook later, in de jaren ’80 en ’90 was er veel aandacht  voor scholing. Consulenten in de kunstvakken begeleidden leerkrachten en verzorgden ook cursussen. Van poppenspel  tot pottenbakken, en van muziek tot voorlezen.

Tegenwoordig voelen leerkrachten zich niet capabel om kunstvakken te geven. Dat blijkt ook uit onderzoek: tekenen en handvaardigheid, dat gaat nog wel, maar muziek, drama of dans? Leerkrachten zijn er onvoldoende voor opgeleid, en vaak vinden ze het hun taak ook niet. Ook zij missen de culturele rijkdom van de jaren ’80 en ’90, waarin vakleerkrachten en consulenten de leerkracht bijstonden en cultuur de school in brachten.

Stimuleren

Stimuleringsprogramma’s als Cultuureducatie met Kwaliteit proberen de school weer aan het stuur te krijgen. Ze zetten in op vaardigheden bij leerkrachten, het ontwikkelen van leerplankaders en échte, vraaggerichte samenwerking tussen culturele instellingen en het onderwijs. Zijn dit inderdaad de maatregelen die cultuuronderwijs weer op de kaart gaan zetten? Kijk je naar het verleden, dan is de kwaliteit van cultuur op school altijd afhankelijk geweest van de competenties van de (vak)leerkracht. Deskundige adviezen, projecten en netwerken kunnen van buitenaf een impuls geven, maar werken alleen als de school ze adopteert. Het zal dus zeker helpen dat de overheid nu vooral inzet op eigenaarschap en deskundigheid binnen de school. Maar een factor die misschien nog belangrijker is, is de positie van cultuur op school. Die heeft minder te maken met het beleid van de school zelf, maar vooral met de positie van cultuur in de maatschappij. Sinds de allereerste onderwijswetten was de vormende waarde van cultuur vanzelfsprekend. Die vanzelfsprekendheid is verdwenen: de maatschappij eist bewezen rendement. Om het cultuuronderwijs de komende jaren verder te helpen, zullen we dat maatschappelijke draagvlak opnieuw moeten vinden. Hopelijk hoeft dat geen tien jaar meer te duren!

Tekst: Vibeke Roeper
Illustraties: Anna van Dooren

 

lesidee

Handwerkles

voor de hele school





thema

GOEDE TIJDEN SLECHTE TIJDEN

deel deze pagina